Antwerpen, Kerken en Toerisme
Toerismepastoraal, Bisdom Antwerpen (TOPA vzw)

Kerkelijke terminologie

BEKNOPT OVERZICHT VAN
TERMINOLOGIE
IN DE
ROOMS-KATHOLIEKE KERK

HET GEBOUW

De eerste kerken waren basilica’s met een apsis, naar Romeins model, of zaalkerken. In de loop van de geschiedenis zien we ook uitzonderlijk ronde of meerhoekige kerkgebouwen. Sinds de middeleeuwen, en tot het midden van de 20e eeuw, hebben de meeste kerkgebouwen een grondplan in de vorm van een Latijns kruis.

Kerken met een kruisvormig grondplan bestaan uit een koor en een schip, die in elkaars verlengde liggen en gekruist worden door een dwarsschip. De plek waar deze 3 delen samenkomen, noemt men de viering.

In de lengte is het schip opgedeeld in verschillende beuken: de middenbeuk en aan elke zijde hiervan één of meerdere zijbeuken. Het aantal zijbeuken is doorgaans aan elke zijde gelijk, zodat een kerk bestaat uit 3 of 5 beuken. De Antwerpse kathedraal is uitzonderlijk omdat ze 7 beuken telt.

In een grote kerk kan het priesterkoor of hoogkoor omgeven zijn door een kooromgang waarop verschillende kapellen [koorkapellen en kranskapellen] uitgeven. In dit geval wordt het hoogkoor soms gescheiden van de viering door een doksaal. Dezelfde naam gebruiken we voor het hoge balkon waarop doorgaans het orgel staat boven de ingang van een kerk.

Oude bedevaartkerken hebben soms een crypte, waar relieken worden bewaard en die meestal is ingericht als een kapel.

Een belangrijk onderdeel is de sacristie.

Mensen betreden de kerk meestal via een tochtportaal. In de oudste kerken valt op dat daarvóór de eigenlijke kerk nog een grote ruimte is. Dit is de narthex, die was voorbehouden voor ongedoopten en/of boetelingen.

HET KERKELIJK MEUBILAIR

Helemaal vooraan in het koor staat het hoofdaltaar. Op het einde van de zijbeuken kunnen zich ook zijaltaren bevinden. In sommige kerken staan ook altaren aan pijlers, eventueel binnen een altaartuin. In een kathedraal, een kapittelkerk en een kloosterkerk wordt het koor geflankeerd door koorbanken, die samen het koorgestoelte vormen. In sommige kerken vind je vooraan ook kerkmeestersbanken.

Tegenwoordig staan lectoren meestal gewoon achter een lezenaar. In oude kerken vindt men soms nog ambo’s, van waar de lezingen werden gegeven: links [noord] de evangeliezijde, rechts [zuid] de epistelzijde. Diezelfde lezenaar van de lector wordt tegenwoordig gebruikt door de predikant voor de homilie. Vroeger ging deze hiervoor op de preekstoel staan.

In een kerk vindt men ook enkele meubels die verband houden met de sacramenten: de doopvont [niet te verwarren met een wijwatervat ] en de biechtstoelen. Het tabernakel, waarin de geconsacreerde hosties worden bewaard, is essentieel voor de eucharistie. Na het Tweede Vaticaans Concilie zijn in de meeste kerken de communiebanken verdwenen. Enkel deze met een grote artistieke waarde bleven bewaard.

KERKELIJKE VOORWERPEN EN VERSIERINGEN

Het meest voorkomende voorwerp in een kerk is het kruis. Wanneer de gekruisigde Jezus erop is afgebeeld, is dit meestal een Latijns kruis. Naakte kruisen zijn dikwijls Griekse kruisen. Boven de ingang van het koor hangt doorgaans een triomfkruis; wanneer er een doksaal is, staat het triomfkruis daarop. Sinds 1741 vind je in het schip afbeeldingen van de 14 staties van de kruisweg.

Elk altaar is voorzien van een altaarsteen. Deze zit meestal verborgen onder een dwaal. Het altaar kan vooraan (deels) verscholen zitten achter een antependium. Wanneer het altaar tegen een wand of pijler staat, kan zich daar een retabel bevinden.

Tijdens de mis leest de priester de gebeden van die dag uit het missaal. Voor de Bijbellezingen is er het lectionarium.

Voor de eucharistie brengt de misdienaar of acoliet de kelk aan. Hierop ligt het kelkdoekje en de pateen met de hostie; deze wordt beschermd door de palla en daarover hangt soms ook nog een kelkvelum. Op het altaar worden de kelk en de pateen op de corporale geplaatst. Dan worden de ampullen aangebracht. De priester giet wijn en een beetje water uit de ampullen in de kelk.

Tijdens de communie worden de geconsacreerde hosties uitgereikt vanuit een ciborie. Daarin worden ze ook bewaard binnen het tabernakel. Daar gaan ze dan schuil onder een ciborievelum. Om geconsacreerde hosties buiten de kerk mee te nemen om bijvoorbeeld aan zieken de communie te brengen, gebruikt men een pyxis.

Om aan te geven dat er zich geconsacreerde hosties in het tabernakel bevinden, brandt de godslamp. Deze staat of hangt in de buurt van het tabernakel.

Wanneer de geconsacreerde hostie wordt uitgestald ter aanbidding dan wordt zij in een monstrans geplaatst.

Bij plechtige gelegenheden wordt bijzondere eer aan mensen en voorwerpen bewezen met het wierookvat.

DE PERSONEN

Geografisch is de hele bewoonde wereld opgedeeld in kerkprovincies, die op hun beurt bestaan uit bisdommen, van waaruit de plaatselijke Kerk wordt bestuurd. Het belangrijkste bisdom binnen een kerkprovincie is het aartsbisdom. Aan het hoofd van een bisdom staat een bisschop. Deze laat zich bijstaan door verschillende vicarissen. Een bisdom bestaat uit verschillende dekenaten, elk geleid door een deken In elk dekenaat zijn er verschillende parochies met een pastoor, die hiervoor de eindverantwoordelijkheid draagt. Al deze personen zijn priesters. Daarnaast kunnen ook niet-priesters benoemd zijn voor parochiewerk: diakens en pastorale werk(st)ers.

Tijdens een ceremonie kan een priester zich laten helpen door één of meer misdienaars, acolieten en lectoren. Voor de materiële zorg in een kerk is de koster heel belangrijk. Voor het financiële beheer van het patrimonium van de kerk zorgen de kerkmeesters.

Er zijn twee soorten priesters: seculiere en reguliere. Reguliere priesters maken deel uit van een bepaalde kloosterorde en vallen dus onder het gezag van hun overste. Seculiere priesters zijn geen kloosterling en vallen dus onder het gezag van een bisschop.

In mannenkloosters en -abdijen zijn er doorgaans twee soorten geestelijken: zij die priester zijn – paters – en zij die die dit niet zijn – broeders. Leden van een kloosterorde die zich vooral wijdt aan geestelijk leven noemen we monniken. Leden van een vrouwenklooster zijn kloosterzusters of nonnen. Wanneer ze volgens hun regel dit kloostergebouw niet verlaten, zijn ze slotzusters of monialen.

Begijnen onderscheidden zich van kloosterzusters omdat ze, net zoals hun mannelijke tegenhangers de begaarden, slechts tijdelijke geloften aflegden en geen gelofte van armoede. Nog minder gebonden waren de geestelijke dochters.

Mensen die een geestelijk leven leiden in totale afzondering noemt men kluizenaars.

Aan een kathedraal en andere belangrijke kerken is een kapittel van kanunniken verbonden, die instaan voor het koorgebed.

De hoogste functie, na die van paus, in de Kerk is die van kardinaal.

DE RELIGIEUZE KLEDING

Sinds het Tweede Vaticaans Concilie dragen de meeste religieuzen in het gewone leven kleding die zich niet onderscheidt van die van andere mensen. Sommige religieuzen willen als dusdanig zichtbaar zijn: mannen dragen dan een clergyman en vrouwen een kapje. Meer traditionele priesters dragen een soutane [eventueel met een cingel ] en op het hoofd soms een bonnet.

Monniken en monialen dragen een pij. De meeste religieuze ordes hebben specifieke kledingvoorschriften. Hun leden zijn dan ook herkenbaar aan hun habijt. Zo dragen franciscanen een bruine pij en rond het middel een touw met daarin 3 knopen. Norbertijnen noemt men ook witheren omdat zij een witte soutane dragen. Dominicanen droegen traditioneel een witte pij met daarover een zwarte mantel en trappisten een witte pij met daarover een zwarte scapulier.

Bij religieuze plechtigheden dragen priesters, diakens, misdienaars en acolieten een albe. Hierover dragen priesters tijdens de mis een stool geschikt over beide schouder en met de twee uiteinden vooraan even lang, met daarover rond het middel een cingel. Hier overheen wordt nog een kazuifel gedragen. Kazuifel en stool hebben de liturgische kleuren.

Wanneer diakens een stool dragen, doen ze dit over de linkerschouder schuin over de borst. Bij religieuze plechtigheden kunnen ze ook een dalmatiek dragen in de gepaste liturgische kleur.

Misdienaars en acolieten dragen soms een witte superplie boven een zwarte of rode toog.

Net als andere priesters kunnen bisschoppen een bonnet dragen. Het meest in het oog springende hoofddeksel van een bisschop is echter de mijter. Die draagt hij enkel bij ceremonies. Onder de mijter draagt hij een solideo, die hij afzet ‘enkel voor God’, tijdens het eucharistisch gebed.

Voor een paus zijn er, naast de mijter en de solideo, twee specifieke hoofddeksels, die echter enigszins in onbruik zijn geraakt. De staatsiekroon, de tiara, werd voor het laatst gedragen in 1964. Ook de camauro geraakte sindsdien in onbruik en werd nog één keer gedragen door paus Benedictus XVI: in de winter van 2005. Het was dan ook bitterkoud op het Sint-Pietersplein.

Inhoudstafel